Op
een dag zit koning Indrabhuti (afbeelding rechts), de heerser van het Tantrische
land Uddiyana (in het huidige Pakistan) op de veranda van zijn paleis en
kijkt
uit over
de
vlakte.
In de verte ziet hij iets wat lijkt op een vlucht roodgekleurde
vogels. Hij vraagt zijn hovelingen wat het is. Ze antwoorden "Oh,
dat is Boeddha Sakyamuni met zijn vijfhonderd volgelingen" (gekleed
in saffraankleurige gewaden).
Indrabhuti geeft te kennen dat hij de Boeddha en zijn
aanhangers voor een
middagmaal
wenst uit te nodigen naar het paleis.
Ofschoon de hovelingen tegenover
de koning twijfels uiten dat de Boeddha zal komen omdat hij zo ver weg
is, komt de Boeddha de volgende dag aan voor het maal.
Na de
maaltijd, vraagt de koning of de Boeddha hem wil onderwijzen.
Hij vraagt
in het bijzonder
te worden onderwezen in de manier waarop de boeddhastaat kan worden bereikt.
De Boeddha antwoordt "Oh koning, zie af van zintuiglijk genot (volgens
het Hinayana-boeddhisme), doe de drie oefeningen (ethisch
gedrag, meditatie, wijsheid), en pas de zes paramita's (van het Mahayana-boeddhisme) toe."
De
koning is echter niet tevreden met deze instructie en antwoordt: "Ik
zou graag een methode willen hebben om de boeddhastaat te bereiken door
het
genieten
van de vijf zintuigen met
mijn hofdames." (Volgens de overtuiging van
die tijd zou het hele koninkrijk voordeel hebben van de seksuele krachten
van de vorst, net
zoals, dat van de Chinese keizers werd gedacht. De koning wordt daarom
niet door egoïstische genotzucht gedreven. Daarnaast kan hij door
zijn hartstochtelijke aard niet afzien van wat tot de kern van het mens-zijn
behoort).
De koning maakt dan spontaan een kort gedicht:
Graag geniet ik in de appelbloesemboomgaard
Zelfs als ik in mijn volgend leven een vos (een lagere wedergeboorte) zou zijn
Een bevrijding die afziet van het genieten van de vijf zintuigen
Zou mij nooit kunnen verheugen, oh Gautama.
Hierna
is het gezelschap van Boeddha's volgelingen plotseling verdwenen (zij
kunnen de tantrische geheimen niet aan).
Op dat moment klinkt een stem uit de
lucht die zegt, "Geen
van de acht soorten heiligen is aanwezig. Er zijn zelfs geen shravaka's
(Hinayana-aanhangers) of
pratyekabuddhas (heiligen in hun eentje in de jungle
mediteren).
De bodshisvattvas (hoogste Mahayana-beoefenaren die
bewust ervoor kiezen herboren te worden om levende wezens te helpen) met hun grote magische
krachten manifesteren hun vormen."
Hierna
maakt de Boeddha een grote, uitgestrekte mandala.
Hij geeft de koning inwijding,
abdisheka, en precies op hetzelfde moment neemt koning Indrabhuti het lichaam
van de eenwording (yuganaddha) aan.
Volgend op de abdisheka en koning Indrabhuti's
bereiken van het lichaam van de eenwording, verklaart de Boeddha hem alle
tantra's.
De koning onderwijst uitgebreid alle mensen van zijn koninkrijk
Uddiyana, en hij legt ook de tantra's vast in geschreven vorm.
Tenslotte
verdwijnt hij, samen met zijn gevolg van koninklijke concubines, en zij
allen worden sambhogahaya-wezens.
Indrabhuti reist vervolgens van het
ene boeddhaveld naar het andere en treedt op als verzamelaar en bewaarder
van
het gehele Mantrayana.
Vanaf dat moment worden niet alleen de koning
en zijn gevolg, maar ook het hele volk van het land van Uddiyana, plus
zijn geesten (bhutas) en zijn dieren tot en met de insecten siddhi
(wijzen) via het pad van mahasukha (grote
gelukzaligheid) en nemen het
regenbooglichaam aan.
Naar Lama Taranatha's verslag van de oorsprongen van het Vajrayana.
Terug naar Home
Page www.sahajayoginicinta.nl
12/9/07
© Sahajayoginicinta, info@sahajayoginicinta.nl